In den beginne was er de kat.


Op de late zaterdagavond van de schepping keek de Almachtige op zijn werk neer en legde zijn voeten op de tafel. Hij verheugde zich op zijn eerste rustdag. De eerste zondag in de geschiedenis kon beginnnen. De Almachtige was tevreden.

Maar plotseling hoorde hij bij de deur een vreemd geluid. Hij stond op om te kijken wie daar was.
Het was de kat.

"Grote Heer", sprak de kat en streek langs de benen van de Almachtige. "Uw schepping is wonderbaarlijk en mooi en ook ik ben tevreden. U gaf mij een prachtige vacht, die mij tegen de kou beschermt. U gaf mij mooie zachte voetjes, waarmee ik onhoorbaar kan sluipen. U gaf mij scherpe nagels en een soepel lichaam, die een goede jager en klimmer van mij maken. En toch heb ik het idee dat er een kleinigheid aan mij ontbreekt."

De oude Heer fronste zijn voorhoofd en dacht na over wat hij kon hebben vergeten. Het kattenluikje kon het niet zijn, die uitvinding was pas voor veel later bedoeld. Hetzelfde gold voor het kattengrit, waar eerst de domisticering aan vooraf moest gaan.
"Spreek!", sommeerde de Almachtige zijn bezoeker. "Wat ontbreekt er aan jou?"

"Het is maar een kleinigheid Heer", sprak de kat terwijl hij van de zenuwen met zijn poot over zijn snorharen streek. "Het is ook niet als kritiek bedoeld..."

"Voor de dag ermee" beval de Almachtige. Hij was een beetje kwaad, omdat hij zijn zondagsrust in gevaar zag komen.
"Wat is het?"

"Nou kijk," sprak de kat terwijl hij zijn staart om zijn voorpoten legde. "Ik ben niet weerbaar genoeg! Mijn nagels en tanden zijn uitstekende wapens tegen de muizen en andere knaagdieren en met mijn springkracht kan ik heel wat vogels schrik aanjagen. Maar aan de mens ben ik machteloos overgeleverd."

Onrustig keek de Almachtige op de klok.
De kat gebruikte de pauze om verder te gaan.

"U hebt de leeuw en de tijger enorme scheurkiezen en angstaanjagende klauwen gegeven. De slang kan zich met gif teweer stellen. Zelfs de egel kan met zijn stekels de mensen onder controle houden. Alleen ik, Heer ben weerloos en daarom een beetje ongelukkig."

"Wat had je in gedachten?" vroeg de Almachtige, "wil je vleugels als een vogel hebben? Of wil je je als een worm in de aarde kunnen verstoppen?"

"Ik weet het niet" zei de kat treurig. "Misschien zou een grote slagtand zoals die van een olifant of neushoorn goed zijn."

"Zoals je wilt", sprak de Heer en gaf de kat twee enorme slagtanden van het edelste ivoor. Direct viel de kat voorover, niet in staat zich te bewegen.

"Ik geloof dat slagtanden toch niet de oplossing zijn", klaagde de kat, nog ongelukkiger dan eerst. "Als ze maar niet zo groot waren! Misschien zou een spitse snavel beter zijn!"

Weer vervulde de Heer zijn wens en verving zijn kleine neusje door een dolkachtige snavel. Maar de kat was opnieuw ontevreden.

"Ik geloof dat een snavel toch niet de oplossing is", jammerde hij, terwijl hij onhandig in de grond pikte. "Hoe moet ik nu mijn vacht verzorgen? Misschien zou een zwaar pantser beter zijn!"

En weer vervulde de Heer zijn wens en weer was de kat ontevreden en weer wenste de kat iets anders. Maar wat de Almachtige ook deed, de kat werd steeds treuriger. Intussen was het al een minuut voor middernacht.

De zevende dag waarop de schepping voltooid zou zijn kwam met rasse schreden dichterbij.
Toen keek de Heer naar het arme katje en sprak: "om de mens aan te kunnen heb je geen slagtanden nodig, geen snavel en ook geen pantser. Ik geef je een wapen dat doeltreffender is dan scheurkiezen of gif! De mensen zullen eerbiedig aan je voeten liggen: ik schenk je het spinnen."

Op dat moment sloeg de klok twaalf uur, begeleid door een behaaglijk geluid dat uit de diepte van een overgelukkige kattenkeel kwam.
Toen zag de Heer dat het goed was, en nam het zachte spinnende bundeltje op zijn schoot en zei: "Ik heb zes dagen lang hard gewerkt en heb nu een beetje ontspanning nodig. Mijn eerste zondag wil ik samen met jou doorbrengen."

Zo sprak de Almachtige, terwijl hij met het katje op de bank ging liggen voor een dutje.

Een sprookje van Gregory Heath